De tegenwoordige tijd in het Nederlands
De tegenwoordige tijd beschrijft wat er nu gebeurt, wat regelmatig gebeurt, en zelfs de nabije toekomst. Beheers dit ene patroon en je kunt al over bijna alles praten.
Stap 1: Vind de stam
Neem de infinitief (de vorm die op -en eindigt) en haal de -en eraf. "Werken" wordt zo de stam "werk". Deze stam is op zichzelf al de ik-vorm: ik werk.
Stap 2: Voeg de juiste uitgang toe
Jij/je en hij/zij/het krijgen een -t achter de stam. Wij, jullie en zij (meervoud) gebruiken de volledige infinitief. U krijgt ook een -t.
| Voornaamwoord | Werken |
|---|---|
| ik | werk |
| jij / je | werkt |
| u | werkt |
| hij / zij / het | werkt |
| wij / we | werken |
| jullie | werken |
| zij (plural) | werken |
Een belangrijke spellingsregel: houd de klank gelijk
De Nederlandse spelling beschermt de klinkerklank. "Maken" heeft een lange a, dus de stam behoudt die met een dubbele klinker: ik maak, niet ik mak. "Leggen" heeft een korte e, dus een dubbele medeklinker wordt enkel in de stam: ik leg, niet ik legg.
Veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden
Een handvol veelgebruikte werkwoorden wijkt af van het patroon en is het waard om apart uit je hoofd te leren: zijn - ik ben, jij bent, hij is; hebben - ik heb, jij hebt, hij heeft; gaan - ik ga, jij gaat, hij gaat.
Woordvolgorde met een tweede werkwoord
Het vervoegde werkwoord staat in een hoofdzin altijd op de tweede plaats. Een eventueel tweede werkwoord (een infinitief) gaat helemaal naar het einde: "Ik wil vanavond Nederlands leren", niet "Ik wil leren Nederlands vanavond".